Omgevingsprikkels zijn alles wat je ziet, hoort, voelt, ruikt of proeft. Zelf ben ik zeer prikkelgevoelig en ik moet mezelf soms terugfluiten om geen heftige reactie op prikkels te geven. Ze zijn eigenlijk de “input” voor je brein. De prikkels zetten een hele keten van processen in gang die bepalen wat je waarneemt, voelt en doet. Kort gezegd: zonder prikkels zou je brein nauwelijks actief zijn.
Wanneer je een prikkel ontvangt — bijvoorbeeld licht of geluid — vangen zintuigen die op en sturen signalen via de zenuwen naar je hersenen. Dat gebeurt via elektrische en chemische signalen, een proces dat we neurotransmissie noemen. In je hersenen worden die signalen in drie stappen verwerkt:
De hersenschors stelt de bewuste waarneming vast (wat zie of hoor je precies?).
De amygdala zorgt voor een emotionele reactie; de amygdala bepaalt of iets gevaarlijk of belangrijk is.
De hippocampus koppelt de prikkel aan herinneringen.
Ze activeren hersengebieden: Verschillende soorten prikkels (geluid, beeld, aanraking) activeren verschillende delen van je brein.
De prikkels sturen je gedrag: Een harde knal zorgt voor een schrikreactie. Hier weet ik alles van. De geur van eten wekt honger op; dat komt mij ook bekend voor.
Ze beïnvloeden je emoties: Muziek kan je blij of verdrietig maken doordat het je emotionele systemen activeert.
Ze vormen en veranderen je brein: Door herhaling ontstaan sterkere verbindingen tussen hersencellen. Dit heet neuroplasticiteit.
Te veel prikkels: Je brein raakt overbelast, met stress, vermoeidheid en concentratieproblemen als gevolg.
Te weinig prikkels: Je kunt je juist verveeld, futloos of zelfs somber voelen.
Het brein probeert constant een balans te vinden tussen prikkelverwerking en rust. Dat noemen ze ook wel “prikkelregulatie”. Daarom is het erg belangrijk om je hersenen bewust een handje te helpen, zodat ze niet te snel overprikkeld en overbelast raken.
Opruimen in je huis is opruimen in je hoofd. Dat ontdekte ik al in mijn tienerjaren en nu kan ik me enorm aan mijn kinderen ergeren als ik hun spullen overal zie rondslingeren. Het organiseren van je spullen en je tijd zorgt ervoor dat je minder rusteloos bent en juist meer ruimte in je hoofd creëert. Persoonlijk kan ik pas van een kop koffie genieten als alles om me heen netjes en op zijn plaats is. Ik heb lang gedacht dat dit mijn persoonlijke “gekte” was, maar doordat ik hier veel over lees, heb ik ontdekt dat ik helemaal niet zo bijzonder ben in dat opzicht. Gedragspsychologen leggen een steeds duidelijker verband tussen stress en een rommelige omgeving.
Volgens een bekende studie van de UCLA hebben mensen die hun huis als “rommelig” of “overvol” beschrijven, hogere niveaus van het stresshormoon cortisol. Vooral bij vrouwen werd er een duidelijke link gevonden tussen rommel en chronische stress.
Onderzoek binnen de cognitieve psychologie laat zien dat rommel je brein continu prikkelt. Elk object in je zichtveld vraagt een beetje aandacht, ook als je dat niet bewust merkt. Dit verhoogt je cognitieve belasting, waardoor je je minder goed kunt concentreren en sneller mentale vermoeidheid ervaart.
In een rommelige omgeving moet je brein constant irrelevante informatie filteren. Volgens onderzoek van Princeton University leidt dit tot slechtere prestaties bij taken die concentratie vereisen. Een opgeruimde omgeving helpt je dus om efficiënter te werken. Of je nu bezig bent je huis te organiseren of je tijd in te delen, in beide gevallen pas je hetzelfde principe toe: het beperken van ruis en het sturen van de aandacht.
Opruimen kan psychologisch werken als een vorm van “orde scheppen”. Dit versterkt het gevoel van controle over je omgeving en daarmee over je leven. Dat effect wordt vaak besproken binnen de omgevingspsychologie: hoe je fysieke omgeving je gedrag en emoties beïnvloedt.
Een opgeruimde, georganiseerde ruimte wordt vaker geassocieerd met meer positieve emoties, minder prikkelbaarheid en zelfs gezondere keuzes (zoals beter eten en minder uitstelgedrag).
Dus: opruimen, ordenen en dan genieten. Dat is de juiste volgorde. Wanneer ik denk eerst van mijn boek te gaan genieten en pas later alles in huis aan te pakken, werkt dat niet. De rommel en de verplichting blijven in mijn hoofd rondspoken. Of beter gezegd: het idee dat ik nog van alles moet doen, hangt als een donkere wolk boven mijn hoofd. Hierdoor kan ik ook niet van mijn boek genieten; ik zit niet in het verhaal, maar met mijn hoofd bij wat er hierna nog gebeuren moet. En dat is zonde van de tijd.